Bel direct met: 0575 463 289 of email met
http://www.echterendieren.nl/uploads/images/header/rendieren-winter.jpg

Bosrendier

 

Het wilde bosrendier dat er op het eerste gezicht uitziet als een gewoon rendier is een van de bijzonderheden van de Finse natuur. Bosrendieren komen voornamelijk voor in Finland, Rusland, Estland, Letland en Litouwen. Ze werden voor het eerst ontdekt in Finland en daaraan danken ze ook hun wetenschappelijke naam, Rangifer tarandus fennicus, hetgeen eigenlijk “Fins rendier” betekent. Tot het eind van de 19e eeuw was het bosrendier een heel algemene verschijning, maar door de opkomst van het jachtgeweer verdwenen ze vrij snel uit Finland en konden ze alleen diep in Rusland overleven.

Gelukkig zag de Russische regering al in 1913 in dat deze soort beschermd moest worden en daardoor kon hun aantal in Rusland weer toenemen. Door de aanleg van een spoorlijn kon de populatie niet meer in oostelijke richting uitbreiden, dus daardoor groeide de populatie sneller in westelijke richting (Finland). Toch duurde het nog tot 1967 voor er in Finland weer een paar groepjes waargenomen werden. Uiteraard waren er inmiddels maatregelen ter bescherming van deze ondersoort genomen en inmiddels leven er in Finland weer bijna 4000 bosrendieren in drie populaties.

Nog steeds is het voortbestaan van deze soort niet veiliggesteld. Een ander gevaar ligt op de loer, namelijk de concurrentie om ruimte met toendra-rendieren en gedomesticeerde rendieren. Met name de huisrendieren, die door de Sami voor het vlees en de huid gehouden worden, eten veel van het voedsel van de bosrendieren. Daarom heeft de Finse regering een maximum gesteld aan het aantal gedomesticeerde rendieren. Om vermenging met de toendra-rendieren te voorkomen, is er tussen 1998 en 2001 een hek van 84 km in Oost-Finland geplaatst, met steun van de E.U.


VERSCHILLEN MET TAMME RENDIEREN

Het wilde rendier verschilt van het gedomesticeerde (tamme) rendier in het feit dat hij langere poten heeft, groter en slanker is en dat zijn gewei minder gebogen is. Die langere poten zijn in een bos best handig wanneer je op de vlucht moet voor een wolf. Het springt wat makkelijker over takken en braamstruiken. met zulke stelten en wanneer je je schoppend wil verdedigen zijn langere poten ook een voordeel. Net zoals de andere rendieren hebben ze grote sikkelvormige hoeven, zodat ze stevig staan in de sneeuw en op ijs, maar de hoeven van de bosrendieren zijn nog een stukje groter dan van hun tamme soortgenoten. Ook hebben ze een grotere kop dan de tamme rendieren en daarin zit onder andere een flink vergroot reukorgaan met veel epitheel. Hiermee kunnen ze voedsel op de reuk vinden als het zicht beperkt is. Bovendien doen de grote neuzen ook dienst als warmte- en vochtwisselaar voor de ademlucht.

Ook het gedrag is anders: toendra-rendieren en gedomesticeerde rendieren leven in grote kuddes, terwijl bosrendieren in veel kleinere groepjes door de bossen trekken. Opvallend is dat de bosrendieren niet weglopen als ze zich bedreigd voelen, maar juist aanvallen. Het wilde rendier eet verschillende kruiden, hooi, bladeren en korstmos. In de zomer eet hij het liefste veenlandvegetatie zoals het waterdrieblad. Hij houdt ook van boombladeren, vooral van wilgen. Wanneer in de herfst de vegetatie verdort gaat hij korstmossen en twijgen eten. De kalfjes worden in mei-juni geboren. Het is er maar eentje en die is roodbruin. In de zomer verandert de kleur naar grijs wat de kleur van een volwassen wild rendier is.

HET BOSRENDIER

  • Klasse: Mammalia (zoogdieren)
  • Orde: Artiodactyla (evenhoevige)
  • Familie: Cervidae (herten)
  • Geslacht en soort: Rangifer tarandus fennicus (bosrendier)

KENMERKEN

Wilde hertensoort, waarbij beide geslachten geweien dragen. De vachtkleur varieert van bijna wit tot bijna zwart. Heeft in verhouding langere poten dan het tamme rendier.

BIOTOOP

Meest noordelijk gelegen bossen.

VERSPREIDINGSGEBIED

Bosrendieren leven in het grensgebied van Finland en Rusland.

MATEN, GEWICHT EN LEEFTIJD

Tot 150 cm hoog; gewicht van 100 tot 160 kg; leeftijd 8 tot 10 jaar

VOORTPLANTING

Paartijd van september tot november; draagtijd 7 tot 8 maanden; krijgt 1 jong.

LEEFGEWOONTE

Leeft in kleine groepen. Het gewei wordt door mannetjes en vrouwtjes ter verdediging gebruikt, het mannetje gebruikt het niet in gevechten met andere mannetjes om wijfjes.

VOEDSEL

Korstmossen, kruiden, grassen, bladeren en bladknoppen.